Terug naar de hoofdpagina

De Groesbeekse Jo(h)annes Peters, soldaat in de “Grande Armee"

Deel 1

 van Napoleon, tijdens de Veldtocht naar Rusland in 1812. 
 

Wat moet die Jo(h)annes Peters (1790-1869) van de Plak, op de latere DE Horst (Groesbeek), niet allemaal  meegemaakt hebben op 22 jarige leeftijd gedurende de Veldtocht naar Rusland !  

1.    Inleiding
Uit verschillende historische stukken, bleek het een verschrikking geweest te zijn, voor allen die het beleefd en zeker voor hen die het overleefd hadden. Maar ook een avontuurlijke beleving, vooral voor een knaap die leefde in een buurtschap waar maar een paar families woonden in die tijd, om met zoveel internationale soldaten, wapens en paarden op stap te gaan naar een ver land, een uitleg hierover volgt verder in dit stuk.

Diegenen die het overleefden waren er niet velen, zo blijkt. Dat hij er bij geweest is, is schriftelijk bevestigd, zo blijkt uit het verhaal van Dhr. G.G. Driessen, naar aanleiding van een vorig onderzoek van Dhr. Paul Thissen, die schrijft dat er in het begraafboek van de pastoor in 1869 vermeld werd: “….die eveneens de Veldslag in Rusland onder Napoleon had meegemaakt .(Zie bijlage 1)

Deze pastoor blijkt bij nader onderzoek, de Groesbeekse pastoor Anthonius Rovers van Tongerle (1858-1874) geweest te zijn. Bovendien blijkt uit meer uitgebreid gemeentearchiefonderzoek bij de stukken van de Nationale Militie (zie bijlage 2) , dat Joannes Peters samen met nog 11 andere mannen, ook geboren in 1790, eind december 1810 ingedeeld te zijn bij de “Compagnie de Reserve Departementale”. Van deze andere 11 mannen was er een geboren in Wyler en een in Goch, in totaal waren er toen dus 9 echte Groesbekers in die Reserve Compagnie. Dit wil zeggen van het geboortejaar 1790. Uiteraard waren er nog meer van voor 1790 (ouder dan 20 jaar), maar van die is niet 100% te achterhalen of die ook daadwerkelijk in Rusland waren. Ook van het geboortejaar 1791 en 1792 zijn er wellicht verschillende mannen heen geweest. Ook dit is niet te achterhalen, wat dus bij Joannes, dankzij de aantekening van pastoor Rovers van Tongerle wel het geval is. In het archief zijn verder geen duidelijke gegevens te vinden van deelname aan de Veldtocht naar Rusland door Groesbekers.
 

Voordat Joannes in dienst moest, had zijn familie al in 1794, in dit geval negatieve, ervaringen opgedaan met de Fransen en hun huurlingen, de zogenaamde Sansculotten (zonder broek, of korte kniebroek genoemd naar de armoedige kleding, waarbij sansculotten ook kan staan voor: Franse Republikeinen sinds 1792). Naast ongeveer 133 andere Groesbeekse families c.q. personen, was namelijk vader Bart Peters (op nr.53 van de lijst van G.A.G. nr. 40) een van degenen die 1795-1796 ontvreemde en/of zwaar beschadigde spullen declareerde. De declaratie betreft ongeveer 35 gulden, voor een varken, wat hooi, wat boter, brood en verschillende stukken kleding. Veel was er niet te halen, de familie was niet een van de rijkere boeren van de Plak. Het was een normale arbeidersfamilie met een klein keuterboerderijtje die van het minste rond diende te komen, zoals zo velen waren toentertijd. (Zie bijlage 3)
 

2. Eerdere “plunderingen”van Groesbeek
Het was niet de eerste keer dat Groesbeek, en andere gemeenten geplunderd werden. Daarvoor was Groesbeek ook al geplunderd door huurlingen van de Staatse (Hollandse) troepen van stadhouder Willem V. Dit waren huurlingen uit Groot-BrittaniŽ en Pruissen, voor wat de laatste mogendheid betreft, met name Hannoveraanse troepen. Wat was er gebeurd? Willem V (Batavus) 1748-1806 was erfstadhouder der Verenigde Nederlanden. Zijn moeder was Anna van Hannover, en zijn vrouw was Wilhelmina van Pruisen, met wie hij trouwde te Berlijn in 1767. De periode was de zogenaamde Patriottentijd, de patriotten die zich later bij de Fransen zouden aansluiten,
dezen hadden zware kritiek op het functioneren van Willem V. Deze stadhouderlijke familie was van Apeldoorn naar het Nijmeegse Valkhof verhuisd, om in geval van lijfelijke bedreiging over de Nederlands-Pruisische grens te kunnen vluchten. Door de politieke tegenstelling tussen Oranjegezinden en Patriotten in de Republiek, leidde dit in 1787 tot een burgeroorlog. Op 13-09-1787 viel een Pruisisch leger van 20.000 man onder bevel van K.W.F. hertog van Brunswijk nabij Nijmegen binnen. Nijmegen met zelf toen nog maar zo’n 10.000 inwoners zal best wel onder de indruk geweest zijn, van het leger wat gestuurd was in opdracht van Frederik Willem II koning van Pruisen. Deze Frederik Willem beschouwde de aanhouding van zijn zus Wilhemina, door de Patriotten tijdens de doorreis van Nijmegen naar Den Haag als een belediging en eiste genoegdoening van de Staten van Holland. Het waren onderdelen van dit Pruisische leger die veel schade aanrichtten ook inGroesbeek, en in het Groesbeekse buitengebied waaronder dus ook de Plak.Jaren later zou dit gedeeltelijk gecompenseerd worden. 

3.    De Franse dienstplicht
Joannes, of zoals we nu zouden zeggen Jan, ging niet als vrijwilliger vanwege het aangelokte avontuur naar Rusland, zo blijkt uit de archiefstukken die onlangs door mij zijn gevonden. In Nederland werd namelijk de militaire dienstplicht in 1810 ingevoerd door de Franse bezetters onder Lodewijk Napoleon Bonaparte, ( 02-09-1778 / 25-07-1846),  de broer van Napoleon Bonaparte, die opgedrongen koning van Holland (dus de hele Benelux) was van 1806 tot 1810. Iedere man van 20 jaar en ouder moest zich inschrijven voor de militaire dienstplicht, mede door de totale inlijving bij het Franse Keizerrijk in dat jaar 1810. Door middel van loting (de laagste nummers eerst), werd bepaald wie er dienst moest nemen in het (Nederlands-) Franse leger. Dit naar aanleiding van de wet op de conscriptie (dienstplicht) die in Frankrijk reeds sedert 05-09-1798 van kracht was. Deze gold voor mannen van 20 tot 25 jaar, en in 1805 werd de minimale lengte van de dienstplichtigen vastgesteld op 1.544 mm. Zuid-Nederland, dus onder de rivieren, kende reeds een dienstplicht in 1798. 
Bij decreet van 03-02-1811 werden 9.000 dienstplichtigen opgeroepen, zowel voor het leger als voor de marine, van het geboortejaar 1788. De verdeling van het aantal wat moest opkomen ging naar rato van het inwonertal der verschillende gewesten. Deze dienstplicht was afkoopbaar en de hogere klassen konden vervangers (replacements) nemen van de minder vermogende klassen, voor een bedrag van 3000 tot 10.000 gulden. Ze zeiden: “Het volk hoort te werken en te sneuvelen. Wij zijn de maatschappelijke bovenlaag, die leiding dient te geven.”.
Voor de lichtingen 1809-1813 (de geboortejaren 1789 tot en met 1793, dus ook “onze’ Jan) werden in 1811 in totaal 10.000 man opgeroepen. Hoeveel Nederlanders in de periode 1810-1813 in Franse dienst waren is niet precies bekend. Men schat de dienstplichtigen en vrijwilligers op 35.000 man, waarvan 28.000 bij het leger en de rest bij de marine. 

4.    De uiteindelijke veldtocht
Op 24-06-1812 trok de “Grande Armee” met 691.500 man over de rivier de Memel richting Moskou waar ze uiteindelijk op 14-09-1812 aankwamen. De metropool was verlaten, er was geen voedsel en het grootste gedeelte was in brand gestoken. Over dit aantal wordt in verschillende stukken gesproken van 500.000 man dan weer 490.000 man, in ieder geval was het een van de eerste grote legers uit de Europese geschiedenis. Het blijkt dat er vaker verschillende getallen verschillen in de berichtgevingen. De route richting Rusland verliep ongeveer gelijk aan de route tijdens de terugkeer van wat er nog over was van het eens zo machtige Franse leger: 

Moskou-Smorgoni-Oschmiana- Wilna (09-12-1812)-Kowno (=Kaunas)-Augustowo-Pultusk-Sierock-Praga- Varsovie (=Warschau)-Lowitz-Krutno-Posen-Glonau(=Glogow)-Buntlau(=Boleslawiek)-GŲrlitz-Dresden-Leipzig-Erfurt-Eisenach-Hanau-Mainz en vandaar richting Frankrijk: Metz-Verdun-Meaux (bij Parijs). Vanuit Mainz kwamen verschillende Nederlandse soldaten omstreeks mei 1813 terug via de Rijn met een rijnaak, of een ander gehuurd schip. Alleen de afstand vanaf de Nederlandse grens tot Moskou is al ruim 3.300 km, en van Dresden tot Moskou 2.750 km. Ik ga er dan ook maar vanuit, dat er gemiddeld 33 km. per dag werd afgelegd in ongeveer 80 dagen. De centrale aanvalsmacht van 250.000 man viel onder het commando van de keizer zelf. Verder waren er twee frontlegers onder Eugene de Beauharnais met 80.000 man en van Jerome Bonaparte met 70.000 man. Er was een reserveleger van 225.000 man en 80.000 man Nationale Garde opgeroepen voor de verdediging van het Hertogdom Warschau met zijn keizerlijke grens. Bovendien waren er twee aparte korpsen met 32.500 man en 34.000 man Oostenrijkse troepen. Het eerste korps viel onder Jacques Macdonald, het tweede onder Karl Schwarzenberg. Het merendeel van het leger van Napoleon werd gevormd door 450.000 Fransen (50 % cavalerie en 35 % infanterie), 95.000 Polen, 90.000 Duitsers, 25.000 Italianen, 12.000 Zwitsers, 4.800 Spanjaarden, 3.500 Kroaten, 2.000 Portugezen en naar schatting 25.000 Nederlanders (de hele Benelux, want het was voorheen en na de Franse tijd tot 1833 het Koninkrijk der Nederlanden) andere bronnen spreken van 15.000 Nederlandse dienstplichtigen waarvan er uiteindelijk maar 2 tot 3 % zouden terugkeren ! Officieel mochten er zes vrouwen per bataljon mee als marketenster, het waren er echter veel meer. Ze verkochten aan de soldaten sterke drank, bier en andere versnaperingen, en ook…. Verder deden ze ook dienst als kookster of wasvrouw, en verzorgden de licht gewonden. 

5.     De ondergang en terugtocht van het eens zo machtige Franse leger
Door de uiterst strenge winter, verschillende ziektes, de slechte verzorging en bevoorrading en de alsmaar korte, onverwachte aanvallen van de Kozakkenlegers eisten hun tol. Er werd door voedselgebrek zelfs gesproken over kannibalisme. Iedere derde soldaat had het “Fleckenfieber” of het “SchŁtzengrabfieber” staat in de officiŽle stukken, en stierf. 300.000 Fransen, 70.000 Polen, 80.000 Duitsers (andere akten zeggen 90.000) stierven. Binnen zes maanden zouden 9 van de 10 soldaten omkomen…….

Na heftige Russische aanvallen en verschillende slagen die hun offers telden kwamen ze tijdens de terugtocht bij de rivier de Beresina. Hier moesten twee bruggen gebouwd worden waarbij zeer vele Fransen gered werden door de 400 Nederlandse Pontoniers, de 123ste en 124ste Regimenten Infanterie en het 14de Regiment Kurassiers. Ze dekten tevens twee dagen de aftocht. De commandant van de Pontonniers (de huidige bruggenbouwende Genie) en zes soldaten hebben de bouw van de bruggen en de slag overleefd. Dit was 24 en 26-11-1812. De Fransen en hun geallieerde invasietroepen verloren 98% van hun aanvankelijke sterkte. En van het hele leger met ruim een half miljoen soldaten keerden er maar zo’n 18.000 man terug naar hun vaderland ergens in Europa, terugtrekkend langs de kadavers en lijken !!

Vandaar dat we als Horstenaren in de Gemeente Groesbeek van 200 jaar later, nog steeds trots zijn, een man in ons midden gehad te hebben, die al die verschrikkingen heeft meegemaakt en overleefd. En dat zonder psychologische hulp, want die bestond er toen niet voor de veteranen. Terwijl hij deze ongelooflijke last tot zijn 79ste levensjaar moest dragen…… 

Leo Zilessen, April 2008
De Horst – Groesbeek
 

Met dank aan Dhr. G.G. Driessen, en Dhr. Paul Thissen 

Bijlage 1  Aantekeningen in  Begraafboek Groesbeek 1869 door pastoor Anthonius Rovers van Tongerle (1858-1874) :


Bijlage 2 Archiefstukken van de Nationale Militie 1810 :


Bijlage 3  Declaratie schade door Frans leger van Bart Peters de Plak :